jollenhol.punt.nl
Laatste artikelen

Op 18 januari werd Glenn geboren.

Zoon van Peter en Mirella,

broertje van Marley

en kleinzoon van Simon en Heleen.

Reacties

 Mijn jeugd bracht ik door in de Scheveningse Maaswijkstraat. We woonden op nummer 36, een groot dubbelbovenhuis op de hoek van het dwarsstraatje naar de Zandvoortstraat. Beneden zat melkboer Taal en tegenover ons op de andere hoek van het dwarsstraatje bakker Van Marrewijk. Het waren de zestiger jaren en - zeker vergeleken met nu – waren er veel winkels in de Maaswijkstraat en directe omgeving gevestigd. In onze straat had je ook nog een leerverwerkingsatelier, Melkhandel De Sierkan, Hotel Charles, een sigarenboer, een groenteboer, een slager en een kruidenier. Verderop zaten een dameskapper, drogisterij en verffabriek De Vos, de slijterij van Jantje de Mos, een tweede bakker Van Ree en een waterstoker.

 Mijn moeder deed bij voorkeur boodschappen bij winkeliers, die net als wij gereformeerd waren. Daarom ging ze een tijdlang naar Bakker Alblas in de Noordwijkstraat in plaats van naar Van Marrewijk, twee deuren verder, die katholiek waren. Bij Alblas verkochten ze ‘bonkies’ voor een dubbeltje. Bonkies leken op brownies, maar waren gemaakt van koek- en cakeresten gemengd met jam en afgewerkt met glazuur. Voor het vlees ging ze niet naar Hoogvliet aan de overkant, maar naar Korving in de Zandvoortstraat. Dat had misschien ook te maken met slager Hoogvliet zelf. In mijn kinderogen was dat een hele enge man. Groot, kaal en met een rood hoofd liep hij enigszins voorovergebogen rond in een bebloede slagersjas. “Zeg het maar,” baste hij, als ik een stukje bloedworst voor mijn vader kwam halen. Want z’n bloedworst was volgens Pa de allerlekkerste. Net als de kaantjes, waar mijn broers af en toe een zak van kochten. Verder liepen we met een boog om de slagerij heen. Al die grote dode beesten, die daar aan vleeshaken hingen, huh! Die hakte Hoogvliet in stukken op een groot houten slagersblok. Maar het allerergste was, dat de viezerik gewoon in het afvoerputje in de winkel pieste!

Hoogvliet was één van de vier winkels op het kruispunt Maaswijkstraat/Dirk Hogenraadstraat. Op een andere hoek zat de sigarenwinkel van Kees. Mijn broers Dirk en Simon kochten daar wel eens een Gouds stenen pijpje om bellen mee te blazen. Verder kwamen wij daar zelden, want onze Opa had zelf een sigarenwinkel. In 1971 kocht ik er wel stiekem mijn eerste pakje sigaretten. Dat was direct het laatste pakje, want ik vond roken helemaal niet lekker.  Op de derde hoek zat kruidenier Twist en op de vierde hoek groenteboer Hanemaaijer. Die stuurde me eens terug naar huis, omdat ik twee centen tekort kwam voor mijn vaders flesjes bier. Twee panden naast Hanemaaijer zat schoenmaker Vrolijk. Hij woonde schuin boven zijn zaak. Hun bovenhuis grensde aan het onze. De kinderen waren een stuk ouder dan wij. Eentje had een Italiaanse scooter en ze hadden een herdershond Pasja.

Beneden de familie Vrolijk woonde buurvrouw Van der Meulen. Meneer Van der Meulen werkte bij bakker Van Marrewijk. Hij overleed toen hun jongste zoon Henk een jaar of acht was. Henk was net één of twee jaar ouder dan mijn broers en speelde vaak bij ons thuis. Henk organiseerde soms poppenkastvoorstellingen voor de buurtkinderen. De poppenkast werd voor onze voordeur opgesteld en Henk speelde de mooiste verhalen uit zijn hoofd. Zo goed, dat mijn moeder bovenaan de trap naar hem bleef luisteren. Voor 5 cent mochten de buurtkinderen komen kijken inclusief limonade. Ze moesten een eigen krukje en bekertje meenemen. De limonade kocht Henk bij Van Marrewijk: flessen Exota, die hij aanlengde met water. Hij moest er tenslotte wel wat aan over houden. Henk werd maar 21 jaar, hij overleed aan een hersenbloeding.

Tussen de schoenmakerij en de familie Van der Meulen was een poort, die als fietsenstalling diende. Tegen betaling stalden buurtbewoners er hun fiets. De poort was eigendom van onze huisbaas, de heer Romijn. Nadat de beheerder de huur had opgezegd vond de huisbaas, dat wij de fietsenstalling maar moesten overnemen. Mijn broers waren in die tijd een jaar of 12, 13. Zij moesten wekelijks bij de buurtbewoners langs om de huur op te halen. Ook bij hun leraar Jan van Wieringen, die op kamers woonde aan de Gevers Deynootweg. Het ophalen van de huur was erg tijdrovend. We hadden meer last dan profijt van de poort. Daarom zei Pa – tot groot ongenoegen van de huisbaas - de huur van de poort na enkele jaren op. Alleen Simon en Henkie beleefden echt plezier aan de poort: zij bouwden er ieder een eigen hut.

Beneden ons zat melkboer Taal. Een ouder kinderloos echtpaar, dat altijd maar klaagde over geluidsoverlast. Ze zullen heus wel het nodige gebonk hebben gehoord van een gezin met vijf kinderen. Mijn moeder deed niets anders dan ons de hele dag waarschuwen: “Sssst, denk aan de buren, niet springen!” We speelden ook vooral op de zolderverdieping. Op een keer kwam buurvrouw weer klagen over het gebonk van de jongens. “De jongens zijn helemaal niet thuis,” antwoordde mijn moeder, “Zusje (mijn bijnaam) zit rustig te spelen en alleen Joke (net 1 jaar) loopt een beetje rond.” “Ach, kan die kleine meid al lopen?” reageerde buurvrouw toen opeens heel lief. Mijn vader trok zich weinig aan van de buren. “Mijn kinderen mogen in mijn huis spelen zoveel als ze willen,” kregen ze van hem te horen. Bij melkboer Taal kon je pakjes boter met en zonder spaarzegels kopen. Ze knipten bij de helft van de pakjes de zegels grof af. Bij tijd en wijle haalde buurvrouw Taal mij van straat om de zegeltjes netjes uit te knippen. Daarvoor zat ik in hun donkere woonkamer aan een bureau. Op dat bureau stond de allermooiste lamp die ik ooit had gezien: een pop met een baljurk aan, vol ruches, en onder de wijduitstaande rok brandde een lamp. Buurvrouw Taal hield de spaarzegels niet zelf: mijn moeder kreeg ze om er sinterklaascadeautjes voor ons van te halen: Caran d’ache kleurpotloden, plastic dierentuindieren, autootjes en wat al niet meer. Later verkreeg ze zo voor mijn kleine zusje Joke de hele serie Pollewopboekjes en nog zo’n complete serie voor Joke’s peuterklasje. We waren vast niet het enige gezin, dat werd bedacht met spaarzegeltjes. Buurvrouw Taal had, ondanks het klagen over de herrie, ook goede kanten. In die tijd hadden wij nog geen koelkast. In zomerse weekenden was het lastig om het vlees en de melk goed te houden. Ma mocht deze boodschappen bij de melkboer in de koelkast achterlaten. Als ze die nodig had, liet ze een mand aan een touw over de balkonrand naar beneden zakken, voor het keukenraam van de melkboer. Die deed dan de spullen in de mand en Ma takelde ze weer naar boven. Toen ze stopten met de melkwinkel en naar de Veluwe verhuisden, kregen we ieder jaar een kerstkaart van de Taaltjes en bezochten Pa en Ma ze af en toe.

Tegenover ons op de andere hoek van het dwarsstraatje was de bakkerij van Aad van Marrewijk. Zijn vrouw Ciska runde de winkel, geholpen door haar inwonende zusje Greet. Als ’s morgens ons brood op was, ging één van ons achterom vers brood halen. Dat moest stiekem, want bakkerijen mochten vóór 10.00 uur geen brood verkopen. Soms nog in pyjama liep je via de achteringang de bakkerij en de warmte binnen. Het rook er altijd zo heerlijk! Het brood was nog te warm om door de snijmachine te halen. Thuis sneed Ma er dikke boterhammen van. Belegd met smeltende boter en suiker waren de warme boterhammen zo ongeveer het lekkerste wat er bestond. Regelmatig speelde ik met hun dochtertje Annemieke bij hen thuis. Zij had zoveel en zo mooi speelgoed. Zelfs een rood kinderpianootje. Na het spelen moesten we natuurlijk het speelgoed opruimen. Op een keer had Annemiek daar geen zin in en deed ik het in mijn eentje. Als beloning nam mevrouw Van Marrewijk mij mee naar de winkel, waar ik een gebakje mocht uitzoeken uit de glazen vitrine. Ik! Een gebakje! Dat kregen wij nooit. Gebakjes waren voor grote mensen op grote-mensen-verjaardagen. Ik koos voor een slagroomhoorn met een stukje ananas en een chocolaadje erop. Het was echt onvoorstelbaar, dat dat gebakje helemaal voor mij alleen was. In 1961 kreeg ik een zusje Joke en in 1963 kreeg Annemieke een zusje Caroline. Als de baby’s waren gewassen en opgedufd, showden de moeders hen aan elkaar voor de tegenover elkaar liggende ramen in het dwarsstraatje. Joke en Caroline werden ook vriendinnetjes. Caroline kwam al op haar tweede bij ons de trap op klossen op haar moeders hoge hakken. Ze speelden samen urenlang met de Barbies. Op haar vierde verkondigde Caroline, dat ze later met ons broertje Kees zou trouwen. En zo is het ook gebeurd. Donderdagsavonds deelde de bakkersvrouw (en later Annemieke) het overgeschoten gebak uit in het dwarsstraatje. Vaak ook gaven ze Caroline saucijzenbroodjes en dergelijke voor ons mee. Eens hadden Joke en ik van ons zakgeld in het geheim een paasei voor Ma gekocht. Een kleintje, want zoveel hadden we nu ook weer niet gespaard. Het geheim bleef niet lang geheim. Ma had het door en bestelde bij Van Marrewijk twee paaseieren voor ons. “We komen ze zaterdagmiddag voor Pasen wel brengen,” beloofde mevrouw Van Marrewijk. Die zaterdagmiddag werden er twee flinke paaseidozen gebracht. De paaseieren bleken veel groter en mooier, dan Ma had besteld. Mevrouw Van Marrewijk had de verkoop afgewacht en twee overgebleven, prachtige eieren voor ons ingepakt. De Van Marrewijken waren altijd gul voor ons en door de jaren heen hebben we er een fijne schoonfamilie aan.

In het dwarsstraatje woonden onder anderen de families Thijsse, Waldhaus en meerdere gezinnen Van der Pol. Met de kinderen, Lydia Thijsse, Jopie en Jantje van der Pol en Vera Waldhaus speelden Annemiek en ik regelmatig in het straatje. Tikkertje, verstoppertje, schipper-mag-ik-over-varen en dat soort spelletjes. Speelden we schooltje of vadertje-en-moedertje, dan werden er tafeltjes, stoelen en kleden naar buiten gesleept. Vera is jaren later tijdens een echtelijke ruzie doodgeschoten op de Haringkade. Jantje werd een collega van me bij PTT Post.

Tegenover ons woonde op het hoekje van 1e IJmuidendwarsstraat de familie Jansen. Hij was op en top militair, een strenge en stugge man. Hun oudste zoon Henk was amateurwielrenner. Regelmatig oefende hij op de stoep op een rollerbank. Toen er een wielerwedstrijd in de straat werd georganiseerd, de Maaswijkstraatronde, was zijn zus Yvonne de ronde miss. Omdat het niet zo boterde tussen Henk en zijn stugge vader, emigreerde Henk al jong naar Amerika.Verder hadden de Jansens nog twee nakomertjes, Guus en Harry, die meer van onze leeftijd waren. Ze deden aan judo en later aan bodybuilding. De familie Jansen was één van de eerste families in de straat, die televisie kregen. Om dat te vieren werden alle kinderen uit de straat uitgenodigd om op een woensdagmiddag naar het kinderprogramma te kijken. Ik herinner me nog goed, dat we met zeker 20 kinderen op de grond voor de TV zaten.Toen meneer Jansen met pensioen ging, wilden zijn meerderen hem voor bewezen diensten bedanken met een Koninklijke onderscheiding. ‘Stuur dat lintje maar op, ik hoef geen feestje,” was zijn reactie. Hij kreeg het lintje inderdaad per post toegezonden. Na zijn pensioen (militairen kregen dat al op hun 55ste) werd Jansen groenteboer op de Frederik Hendriklaan en hield hij een paard. Iedere morgen kwam hij met dat paard langs. Zijn vrouw deed dan de voordeur open en het paard liep een stukje de gang in voor een suikerklontje. Mijn moeder zag dat dagelijks gebeuren. Op zekere dag hoorde zij een nieuw liedje van André van Duin op de radio: Er staat een paard in de gang. ‘Ja,’ zei Ma hardop, ‘bij buurvrouw Jansen.’ En waarachtig, dat was de tweede regel van het liedje!

In het benedenhuis naast familie Jansen woonde Opa Van Duijn. Boven hem woonden zijn dochter Chielie, zijn varende zoon Jaap en dochter Wil, die getrouwd was met Jan de Water. De laatsten woonden op de zolderverdieping en hadden vijf of zes kinderen. Hun oudste zoon, Jantje de Water, was mijn vriendje. Ze verhuisden naar de stad toen ik een jaar of zes was. Naast Opa Van Duijn woonde de familie Schoon. Zij hadden twee dochters en een zoon Huib. Huib was al groot, zeven jaar ouder dan ik. Als je bij hen door de ramen gluurde, kon je een groot aquarium zien staan. Ooit heeft Huipie onze goudvis gered. Mijn broer Kees had voor zijn verjaardag een vissenkom met twee goudvissen gekregen. Zo’n cadeau is moeilijk inpakken, dus de kom stond al een paar dagen van te voren in de voorkamer op de vensterbank. Op de ochtend van Keesjes verjaardag lag er een goudvis naast de kom, ’s nachts eruit gesprongen. Van tante Ada kreeg Kees een nieuwe goudvis. Toen Pa eens, om de vissenkom schoon te maken, hem leegschonk in de gootsteen, vergat hij de dop in de afvoer te doen. Prompt verdween er goudvis in de afvoer. Huib heeft toen de laatste goudvis uit de gootsteen opgevist en meegenomen. Goudvissen bleken niet aan ons besteed.Op nummer 55 woonden de dames Loenhout. Twee oude vriendinnen, waarvan er maar eentje Loenhout heette. Ma noemde ze ‘de spruitjes’, een bijnaam uit de oorlog. Ze kwamen toen bij Opa Rog vaak om spruitjes vragen, als hij op de akkers bij Loosduinen spruitjes had geraapt. Op nummer 57 lag een binnenterrein. Dat erf was van Opa Jol, maar werd gehuurd door een stukadoor. Vanaf eind jaren ’60 was het mijn vaders metselwerkplaats. Op nummer 59 was de Weense dameskapsalon. Een stukje verder aan de overkant had je Drogisterij de Vos en vlak daarnaast onder de poort door de Verffabriek van De Vos, twee broers. Meneer De Vos was echt het prototype drogist: mager, lang en zalvend vriendelijk. Moeder stuurde mij er eens naartoe voor aambeienzalf. “Een tube aardbeienzalf,” zei ik prompt. De Vos wist precies wat ik bedoelde. Kocht ik er later pakken maandverband, dan verpakte De Vos dat discreet in bruin papier. Natuurlijk wist toch iedereen wat er in het pak zat.

 

Op het punthoekje van de Maaswijkstraat en de Renbaanstraat was de slijterij van Jantje de Mos. Boven de winkeldeur pronkte een grote lichtreclame voor jenever: Drink louter Kabouter. Schuin tegenover de slijterij zat op de hoek van de Renbaanstraat en de Katwijkstraat fietsenmaker Bel. Je kon daar voor een kwartje een fietsje huren. Mijn broer Simon deed dat regelmatig. Ik moest dat ook maar eens doen, want ik kon niet fietsen. Drie mislukte pogingen en 5 minuten later ging Simon er vandoor op het fietsje, dat van míjn zakgeld was gehuurd. Tegenover Bel, op de hoek Maaswijkstraat/Katwijkstraat was nog een bakkerij, Van Rhee. Daarnaast zat een waterstokerij. Hier haalden vrouwen voor een paar centen emmers heet water om de was te doen. Thuis had je nog geen geisers, dus geen warm water uit de kraan. Op een lange schragentafel stond allerlei koopwaar uitgestald, waaronder snoepgoed en toverboekjes. Dat was een stuk papier met plaatjes erop gedrukt en in het midden een glaasje. Je kon het papier op allerlei manieren vouwen, waardoor er steeds een ander plaatje voor het glaasje zichtbaar werd.

In het andere gedeelte van de Maaswijkstraat, het stuk tussen de Dirk Hogenraadstraat en de Gevers Deynootweg, was de melkwinkel van De Sierkan. Ernaast was de dubbele garage, waarvandaan de melkboerkarretjes iedere morgen de wijken in trokken. Het gezin in het bovenhuis op nummer 26 had een aapje in huis. Het had een eigen kamertje en soms zag je het voor het raam zitten of op het balkon. Een stukje verder was Hotel Charles. In het voorjaar kwamen daar bussen vol toeristen uit Duitsland. Het hotel was niet groot genoeg voor zoveel gasten. Daarom bracht Hotel Charles een deel van hen onder bij buurtbewoners. Jarenlang hadden wij in het voorjaar badgasten van Hotel Charles in huis. Tegenover het hotel zat Indiana, een atelier waar leer werd verwerkt. Het was van J. van der Toorn uit de IJmuidenstraat. Op de binnenplaats stonden bakken vol restjes leer. Hadden wij voor school een inktlap nodig, dan pikten we daar stukjes leer en maakten er zelf inktlappen van.

In de straten om ons heen had je ook de nodige winkels. In de IJmuidenstraat, tussen de twee dwarsstraatjes in, had mevrouw Perk een fourniturenzaakje. Toen al een heel ouderwetse winkel. Ik kocht daar van mijn zakgeld stukjes lint en biaisband om barbiekleertjes te maken of strengetjes borduurzijde. Verderop, op de hoek IJmuidenstraat/Katwijkstraat zat het kruidenierswinkeltje van de oude Anna Dekker. Anna was van onze kerk, daarom deed mijn moeder er af en toe boodschappen. Dat kostte echter zoveel tijd, dat ze meestal één van de kinderen stuurde. Het was een klein, donker hoekwinkeltje. Op de toonbanken stonden vierkante Verkadeblikken met koekjes en grote glazen stopflessen vol toffees en ander snoepgoed. Langs de wand achter de toonbank waren open houten schepbakken. Daarin zaten spliterwten, gedroogde bonen en andere grutterswaren, die los werden verkocht. Links van de deur stond een grote rode tank met petroleum. Dat verkocht Anna ook los. Hiervoor namen mensen hun eigen petroleumkan mee. Bestelde je iets, dat Anna niet op voorraad had, dan ging ze het kopen bij Simon de Wit in de Neptunusstraat. Dat was samen met De Gruyter een van de eerste supermarktketens. “Blijf even wachten, ik ben zò terug!” zei ze. Dat wachten duurde heel lang, want Anna liep erg langzaam op haar sloffen. Tijdens het wachten werden de stopflessen met snoep steeds verleidelijker. Nooit, nooit heb ik het gewaagd er een snoepje uit te pikken. Ze kon tenslotte opeens zomaar terug zijn en je betrappen.

De Renbaanstraat telde ook heel wat winkels. Naast de eerder genoemde fietshandel Bel zat een schoenmaker, daarnaast herenkapper Bultje. De kapper had een bult op zijn rug, vandaar die naam. Je kon precies aan de jongetjes in de buurt zien, dat ze naar Bultje waren geweest. Allemaal het zelfde kapsel: van achteren hoog opgeschoren en van voren een schuin afgeknipte lok. Even verder richting Neptunusstraat was een joodse kledingzaak van Wachs en op de hoek zat IJzerhandel Van Blijswijk. Hier stond een neef van mijn vader, Arie van der Stelt, achter de toonbank. In het dwarsstraatje naar de Katwijkstraat zat een houtzagerij. Daar vroegen we wel eens restjes hout om mee te knutselen. Aan de overkant van de Renbaanstraat op de hoek met de Neptunusstraat vond je bloemenhandel Van Spronsen en daarnaast het Hakkelaartje. Dat was een soort winkel-van-sinkel waar van alles te koop was. Wij kochten er van ons zakgeld knikkers, tollen en klappertjes voor klappertjespistolen en –raketjes. Het Hakkelaartje was een wat zonderling type. Hij werd Hakkelaartje genoemd, omdat hij stotterde. De man schreef alle aankoopbedragen op een kladblok, dat naast de kassa lag. Speelden wij winkeltje, dan deden wij dat na.

Naast het Hakkelaartje zat een groenteboer, die altijd een druppel aan zijn neus had. Verderop zat nog een slager, de markiezenhandel van Den Heijer en op het volgende hoekje een dameskapsalon. Liep je door de Renbaanstraat naar de Zandvoortstraat, dan kwam je voorbij een fourniturenzaak, slager Korving, een supermarktje en een drogist. Deze verkocht ouderwetse haverstrootjes, die vooral mijn oudste broer regelmatig haalde. Het binnenterrein halverwege de Zandvoortstraat tegenover het dwarsstraatje van de Maaswijkstraat was van een neef van mijn vader, Flip Nieuwland. Hij had daar zijn loodgieterswerkplaats en een fietsenstalling. Er waren ook nog een paardenstal en een waterstokerij. Die verkocht zakjes blauw voor de was en flessen Lodaline voor de afwas. In de Lodalineflessen zaten plastic puzzeltjes, waarmee je bijvoorbeeld autootjes, dieren of bootjes kon bouwen. Op de kruising van de Zandvoortstraat en de Dirk Hogenraadstraat had je aan de ene kant Café Groos en aan de andere kant snackbar Van Wassenaar. Voordat Joop Wassenaar er was, haalden we wel eens patat op de hoek Renbaanstraat/Dirk Hogenraadstraat bij een hotel-restaurant. Dat was van de ouders van Sugar Lee Hooper, de familie Van der Toorn. Joop Wassenaar had al gauw vaste klantjes aan ons. Zeker toen we tieners waren en wat ruimer in ons geld, gingen we daar vaak wat lekkers halen. Zijn zelfbereide liamboutjes en loempia’s waren (en zijn nog steeds) overheerlijk. De snackbar is later zelfs uitgeroepen tot beste snackbar van Den Haag.

Naast al deze winkels kwamen er ook nog handelaren langs de deur. Allereerst natuurlijk groenteboer Dik Hanemaaijer, vriend van onze oom Kees en neef van de groenteboer op de hoek van de straat. Dik kwam met paard-en-wagen. Voor de dagelijkse koffiestop bij ons thuis, bond hij het paard vast aan de lantaarnpaal. Hij stalde het paard op het binnenterrein aan de Zandvoortstraat. De Donald Duck werd gebracht door een man met één arm. Toen we eens vroegen waar zijn arm was, gaf hij als antwoord: ‘Ach, dat is een rot arm, die heb ik thuisgelaten.’ Het Ziekenfondsgeld werd opgehaald door meneer Plugge. De betalingen werden afgestempeld op een kaart. Tegelijkertijd stempelde hij onze opgehouden vuistjes af. Als de kolenboer kolen kwam brengen, haalde Ma vooraf de loper van de trap. ‘Anders wordt alles zwart.’ De kolenboer droeg een bruin manchester-corduroy pak, met op de schouder – waar hij de zakken kolen op droeg – leren stukken. De kolen lagen opgeslagen in een hok op het balkon. Naast de kachel in de achterkamer stond een kolenkit met een klein voorraadje om de kachel aan de gang te houden. Later had je nog Paul de melkboer, die naar binnen kwam om zelf in de koelkast te kijken wat je nodig had. De handelaar die tot in de jaren ’80 aan de deur kwam, was de aardappelboer uit Oud-Beijerland.

Er waren ook nog handelaren, die niet aan de deur kwamen, maar langs de straten hun waren omriepen. Zo had je de lorrenboer: “Lorrewieieie-ou’rommel!” en de bloemenman: ‘Zeven stuivers de gladiooo-lûhhh!’. De schillenboer keek altijd de schillen na, of er geen mesje tussen lag. Op een keer haalde hij uit onze schillenbak een korst krentenbrood en zei: ‘Dat eet ik zelf lekker op’. Als kind vond je het natuurlijk het fijnst als de ijsboer langskwam. ‘Klingelklingelklingel,’ hoorde je zijn bel al van verre. En dan maar hopen, dat je een ijsje van je moeder mocht kopen.

Als ik bedenk hoeveel winkels er in de buurt waren - en vaak in de zelfde branche - dan verbaast het me, dat die mensen er allemaal van konden leven. Anno 2014 hebben in de Maaswijkstraat alleen groenteboer Hanemaaijer, verffabriek De Vos en slijterij De Mos de tand des tijds overleeft. Wie weet voor hoe lang nog…

 

 

Reacties

Babs, Ellen (van Ab en Nel Jol-Nieuwland) en Joke

vooraf aan de viering van de landing van de Prins

op de kop van de Keizerstraat

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Reacties

Op 30 november 1813 landde de Prins van Oranje op het Scheveningse strand. Het begin van het Koninkrijk der Nederlanden. Dit herdenken we om de 25 jaar. In 2013 zelfs extra feestelijk omdat het nu 200 jaar geleden is. Het gonst in Scheveningen al maanden van de voorbereidingen.

 

Anjo Mos, Babs, Opa Dirk, broer Dirk, Simon, Tante Ada

Het herinnert me aan de herdenking in 1963. Mijn broers Dirk en Simon waren 11 en 9 jaar oud, ik 8. Wij mochten meedoen met het feest op het strand en meelopen in de optocht daarna. Mijn jongere broer Kees en zusje Joke waren daarvoor nog te klein. Moeder maakte onze 19e eeuwse kleding zelf. Voor de jongens naaide ze Scheveningse kezjakken (kielen). Bijpassende broeken hadden de jongens zelf. In die tijd droegen jongetjes keurige terlenka pantalons. Mijn vader zaagde uit blik gespen voor op hun schoenen. De gespen maakten ze vast door de veters er door heen te rijgen. Alleen het petje was een probleem. Opa Rog had maar één visserspetje. Daarom droegen de jongens dat om de beurt een half uurtje. Mijn broers kunnen zich van deze dag weinig herinneren. Dirk weet, dat ze steeds maar weer de Keizerstraat op en neer liepen. Simon heugt zich nog, dat hij werd weggestuurd omdat hij er niet ouderwets genoeg uitzag. Gelukkig trok hij zich daar weinig van aan en bleef hij gewoon bij het feest.

 

Aan mijn kleding had Moeder veel meer werk. Van oude gordijnen maakte ze een lange rok, een mantel, een buideltas en een luifelhoed. De rok was van blauwe glimmende stof. De mantel en tas van rood fluweel met ecru kant. De mantel deed nog jarenlang dienst op 5 december. Wie hem paste, speelde voor Sinterklaas.

De luifelhoed was rood met een blauwe voering en lange blauwe linten. De basis hiervoor was een oud zomerhoedje. Vader had daar van ijzerdraad een geraamte aan vastgemaakt voor de luifel. Moeder overtrok het geheel kunstig met stof.

 

Vóór het eigenlijke feest was er een informatieavond in Gouden Wieken, een gebouw op de hoek van de Scheveningseweg en de Kerklaan. Daar werd verteld, wat er van de figuranten werd verwacht. De Franse soldaten moesten worden uitgejoeld, maar je mocht ze niet bespuwen of erger. Het waren tenslotte geen echte Fransozen.

 

Mijn ouders gingen zelf niet verkleed naar het feest. Opa Jol en een aantal tantes en ooms wel. Ik werd onder de hoede genomen door Opa Jol en tante Ada. Het was die dertigste november koud en mistig weer. De hele Keizerstraat werd bevolkt door verklede mensen. Het ging richting strand, waar de landing werd nagespeeld. Vanuit een boot was de Prins overgestapt op een sloep, die naar het strand werd geroeid. Toen de sloep vast liep in het lage water, werd de Prins op de schouders genomen door visserslui. Hij moest immers droog overkomen op het strand. Dat lukte niet helemaal. De Prins gleed half van de schouders af en haalde een natte voet. Gelukkig kwam hij verder veilig aan land. Het figurantenvolk danste in een grote kring rond de meiboom. Een hoge paal op het strand, versierd met linten. Tijdens het dansen hielden de mensen de linten vast, die daardoor in elkaar werden gevlochten.

 

Op een gegeven moment trok Opa mij mee naar een oprit van de boulevard. Daar stonden op het randje Koningin Juliana en Prinses Beatrix, gehuld in dikke bontjassen. “Kom mee,” zei Opa, “dan gaan we de Koningin een handje geven.” Maar eenmaal bij de Koningin durfde ik niet meer. Ik vond die vrouwen in bontjassen eng!

 

Babs, Tante Ada, Opa Jol

Na het spektakel op het strand werd er een optocht gevormd om de Prins naar Den Haag te begeleiden. Ik mocht met Opa en tante Ada in een koets meerijden. Langs de kant van de weg stonden drommen mensen. We zwaaiden volop naar hen. Het leukste was natuurlijk als je schoolvriendinnetjes zag staan. Terug op Scheveningen lieten we een ‘staatsieportret’ maken bij Fotograaf Salm aan de Neptunusstraat. Op die foto zit ik links (dat nou niemand mijn pony goed deed…). In het midden tante Ada. Zij had speciaal voor de gelegenheid een jurk met hoed en cape op maat laten maken. Een paar jaar later, bij een lustrum van de Scheveningse markt, won ze er nog een prijs mee. Rechts staat Opa Dirk Jol. Hij droeg een gehuurd kostuum met driekantige steek en had bakkebaarden aangeplakt. Die steek vond hij maar onhandig. “Napoleon was veel slimmer. Die had een steek met twee punten en die zette hij dwars. Veel makkelijker als je een zoentje wil geven!”

 

Trouwpak van Oma Basje Rog

De 175-jarige herdenking in 1988 deed onze familie niet mee aan de verkleedpartij. Toch droeg mijn moeder haar steentje indirect bij. Ze had het trouwjak van haar moeder, een met de handgemaakt baskenlijf, aan het Schevenings Museum geschonken. Ze was blij verrast, toen ze zag dat een meisje het droeg. De echte Prins van Oranje, de toen 21-jarige Willem-Alexander, speelde dat jaar de rol van zijn voorvader. In 2013 neemt Huub Stapel die rol voor zijn rekening. En ik hoop er dit keer weer verkleed bij te kunnen zijn.

 

 

(juni 2013)

 

 

 

 

 

Reacties

Ons gezin kerkte in de oude Bethelkerk aan de Jurriaan Kokstraat. Iedereen had daar zo zijn vaste plekje. Wij zaten onder de galerij recht tegenover de preekstoel. In het gedeelte waar Opa Jol zat, onder de rechtse galerij, waren zelfs naamplaatjes op de banken geschroefd. Die mensen hadden echt een eigen plekje. Daarvoor moest je wel betalen.

 

 

Rond mijn vijfde verjaardag namen Pa en Ma mij voor het eerst mee naar de kerk. Dat was in 1960. Kindernevendienst bestond nog niet. Voor de zekerheid gingen ze met mij op een galerij zitten. Daar was het niet zo erg als je niet stil zat. Ik vond het wel leuk in de kerk. De dominee deed hetzelfde spelletje als de kleuterjuffrouw. Handen omhoog, handen vooruit, zitten, staan…. Als de juffrouw dat deed, moesten alle kindertjes haar na doen. Dus ik deed de dominee na.

Mijn broertje maakte het ook bont. Toen hij voor het eerst de dominee zag, riep hij hard door de kerk: “Kijk, die vent heeft een jurk aan!”

De vaste organist van de Bethelkerk was Isaäc de Boer. Hij was ergens familie van ons. Af en toe gingen we na afloop van de dienst boven bij het orgel kijken. Wat zaten daar veel knoppen en voetpedalen aan! Soms mochten we de registerknoppen uittrekken, die Isaäc aanwees. Isaäc speelde door tot de kerk leeg was. Dan klommen we stiekem op het trapje van de preekstoel, maar daar werden we altijd weggejaagd.

Pa was collectant. Als hij dienst had, trok hij zijn trouwpak aan. Later werd hij ouderling. Als het Avondmaal was, hielp Pa vooraf bij het snijden van het brood. Op een keer nam hij een hele zak afgesneden broodkorsten mee naar huis. Zonde om weg te gooien en wij hielden toch zo van broodkapjes? Mijn moeder was er minder blij mee. Nu zou de hele kerkenraad denken, dat we niet genoeg te eten hadden.

Voor Pasen kreeg je nieuwe zondagse kleren en een nieuwe jas. Maar als het regende, mocht je je nieuwe jas niet aan, anders werd hij nat. Na kerktijd gingen we vaak bij Opa Jol koffiedrinken. Met Pasen trakteerde Opa ons op een netje met roze en witte suikereieren. Als we naar huis gingen, hing hij dat aan onze bovenste jasknoop. “Laten hangen tot je thuis bent, hoor!” En daar liep je dan, met een netje eieren op je buik.

Als we niet bij Opa gingen koffiedrinken, maakten we een wandeling door de Scheveningse bosjes en langs de eendjesvijver. “Op de paden blijven!” werd ons steeds toegeroepen. De zondagse kleren moesten netjes blijven. Pa had een trucje om ons bij zich te houden. Overal zag hij tijgers en leeuwen tussen de bomen sluipen en hij kon het weten, want hij was in Indië geweest. “Kom gauw, een tijger, anders eet hij je op!” waarschuwde hij en dan vlóóg je weer terug.

 

In 1964 bezochten we na kerk een tijdlang de zondagschool. Die zat in het gebouw waar nu Muzee Scheveningen is gevestigd. Waarschijnlijk moesten we vooral om onze ouders wat rust te geven. Er werd een Bijbelverhaal voorgelezen en daarna deden we spelletjes. Met Kerst kreeg je een boek, dat altijd over een zielig kindje ging. Tranen met tuiten huilde ik bij ‘Jetje uit het Huis’.

 

Op zondag aten wij ’s middags om drie uur warm. Dan kon je op tijd naar de kerkdienst van vijf uur. Ma deed dat regelmatig. Pa moest ons dan bewaken. Dat deed hij vanuit zijn Liberty-stoel in de voorkamer met een spannend boek. Wij mochten bij wijze van spreken het huis afbreken, totdat Ma thuis zou komen. Dan moesten we in no-time alles opruimen en de tafel dekken voor de avondboterham.

 

De hele week door spaarde mijn moeder kleingeld voor de kerkcollecte in een aardewerken mosterdkannetje. Zondags legde ze op het aanrecht voor alle vijf kinderen drie dubbeltjes klaar voor de drie collectes en een half rolletje kleine pepermuntjes. In de loop der jaren werden de dubbeltjes kwartjes en uiteindelijk guldens, maar toen was er nog maar één collecte. Ook de pepermuntjes groeiden uit tot hele rollen grote pepermunten. ‘Kerkpruimen’ noemde mijn vader die.

 

Als puber vond je het maar niets, die wekelijks verplichte kerkgang. Je probeerde er wel eens onderuit te komen met een smoesje. Dat lukte meestal wel op voorwaarde, dat je dan de bedden opmaakte, de kamers opruimde en zoog en koffie zette tegen de tijd, dat de kerk uitging.

Jaren later bekende mijn moeder, dat ze iedere zondag hoopte op een spijbelaar. Kon zij even lekker rustig in de kerk zitten en thuiskomen in een opgeruimd huis.

Na het overlijden van mijn moeder vond ik in haar kastje het aardewerken mosterdkannetje. Er zaten nog drie guldens in voor de collecte.

 

 

 

 

 

Reacties

Woensdag vertrok Johnno (van Kees) naar Kabul in Afghanistan.  Hij gaat daar een half jaar als militair aan de slag. Foto boven: vertrek vanaf huis. Foto onder: aankomst vrijdagmorgen in Kabul.

 

Reacties

Peter en Mirella in de bakfiets, Simon en Heleen erachter

Peter met z'n twee meisjes

Peter, Mirella met hun dochtjer Marley

daarvoor: Emile, Madeline, Fiënne,  Livia en Dane

(de kinderen van René en Bastiaan)

Reacties

Lieve mensen,

 

Afgelopen maandag is mijn zus Ineke heel onverwacht overleden.

Zij was net terug van een drieweeks verblijf in Vancouver om een aantal feestelijkheden bij de (klein)kinderen van Dirk en Rie bij te wonen.

Aanstaande dinsdag 9 juli, is de afscheidsdienst in haar kerk in Calgary.

Gelukkig zijn Dirk en ik in de gelegenheid om daar aanwezig te zijn.

In Canada is het geen gebruik om kaarten rond te sturen.

Daar plaatsen ze een rouwadvertentie met een korte necrologie in een of meerdere kranten.

Ik heb de tekst hieronder gekopieerd. U kunt die ook lezen op  http://www.mhfh.com/stewart-jol-clasina-ineke/

 

   

STEWART-JOL Clasina Ineke

February , 1940 - Scheveningen

July 1, 2013 – Calgary, AB

 

Ineke Stewart-Jol passed away unexpectedly on July 1, 2013. She was a gracious and caring lady who will be greatly missed by her surviving family including step-daughter-in- law Danielle Stewart and step-grandchildren, Kai and Bella; brothers, Dirk Jol (Henny), Loek Jol (Janny), sister Dieske Jol, nieces Audrey, Sylvia, Anne-Marijke, Moe (Willemijn) and nephew (Harry), close friends including sister-in-law Rie Jol, travel friend Sheila, and ten grandnieces and nephews.

She was predeceased by her parents Arie Jol and Sophia Jol-Wirth, husband Bill Stewart, and stepson Warren Stewart. We will miss her warm smile, lovely laugh and gentle manner.

Ineke was born on February 2, 1940 in Scheveningen, The Netherlands and immigrated to Canada in 1967. She lived in Hamilton/St. Catharines, ON until moving to Calgary, AB in 1985 to start work with the Gimbel Eye Clinic. She met and married her loving husband Bill Stewart in 1992 and spent one and a half happy years with him before his passing in 1994. Ineke was a beloved friend and devoted "Oma" to her step-grandchildren and her grandnieces and grandnephews. She was an avid gardener, traveler, a past tennis player and Wimbledon fan. She was an active choir member, and very involved in her church, generously sharing her time and energy volunteering for many years with the Calgary Zoo, Big Brothers and Sisters, Canadian National Institute for the Blind, and other organizations.

We will celebrate Ineke's life with a Memorial Service at 2:00 p.m. on Tuesday, July 9, 2013 at St. Andrew's Presbyterian Church (703 Heritage Drive S.W., Calgary, AB). Condolences may be forwarded through www.mcinnisandholloway.com. Donations in Ineke's memory can be made to any of her volunteer organizations.

In living memory of Ineke Stewart-Jol, a tree will be planted at Fish Creek Provincial Park.

Met een hartelijke groet,

 

Loek Jol

ludovic@xs4all.nl

Reacties

Neef Dirk uit Canada stuurde ons dit verhaal over onze illustere oud-oud-oud-oom:

 

CORNELIS CORNELISZ JOL, bijnaam Houtebeen, geboren 1597 te Scheveningen, overleden 31 okt 1641 te Sao Tomé, een eiland in de Golf van Guinee, bij Gabon (West-Afrika) begraven te Sao Tomé. 
 
Het gezin bestond uit CORNELIS CORNELISZ JOL en zijn vrouw AÊL JANS, hun dochter ANNETJE JOL, gedoopt te Amsterdam op 28 maart 1621, overleden vóór 1642, hun zoon JAN en hun zoon CORNELIS, gedoopt te  Amsterdam 20 juli 1628. Verder nog in het gezin opgenomen TRIJNTJEN FRERIX, dochter van FREDERICK WOUTERS WISSCHERS of VISSCHER en YBEL ARENTS.
 
Hier volgt een gedeelte uit "reizen naar de West" van J.D. van Overbeek, aangepast aan deze website:
 
CORNELIS CORNELISZ ging in 1626 in dienst bij de West-Indische Compagnie en werd "kaper", commandant (kapitein) der W.I.C.
Hij stak 9 maal de Atlantische Oceaan over naar de West om de Spanjaarden en Portugezen aan te vallen.
  
Zijn bijnaam "Houtebeen" kreeg hij nadat hij in een gevecht gewond was geraakt en een been van hem moest worden afgezet; dit werd vervangen door een houten been.
Hij was een berucht kaper, wat niet betekent dat hij zomaar alles wat hem in West-Indie voor ogen kwam overmeesterde om als een soort "Pirate of the Caribbean" de geschiedenis in te gaan, maar hij was wel degelijk in het bezit van "kaperbrieven"; officiële documenten die waren afgeven door de W.I.C. na toestemming van de Staten-Generaal. De brieven bevatten instructies hoe het bezit van de W.I.C. te vermeerderen en te beveiligen en hoe de oorlog met Spanje via kaperij van (vnl. Spaanse) schepen kon worden uitgebreid naar de Spaanse koloniën. (Het meest bekende wapenfeit van de W.I.C. in die dagen was de verovering van de Spaanse Zilvervloot door Piet Hein in 1628).
 
Jol was op een van zijn eerste zeereizen betrokken bij veroveringen van delen van Brazilië (hij veroverde o.a. het eiland Fernando de Noronha voor de Braziliaanse kust, maar werd weer snel verjaagd door de Portugezen).
 
In 1633 viel hij met 10 schepen, met behulp van een andere zeerover, Campeche, aan op het schiereiland Yucatán en was in 1634 betrokken bij de verovering van Curaçao. Jol en Peter Stuyvesant (eveneens eenbenig) gebruikten het veroverde Curaçao als uitvalsbasis voor grootschalige kaperij. Vooral Jol, die met zijn jacht "den Otter" loerde op Spaanse schepen, was berucht. Eén van de strooptochten van "El Pirata Jol" voerde hem naar het fort van Santiago de Cuba. De wachters bij het fort dachten dat het om Spaanse schepen ging en lieten per vergissing de kapers binnen. Later voer hij naar Havana en oostwaarts naar Cartagena. Het werd een van de beruchtste strooptochten die ooit in naam van de W.I.C. werd ondernomen.
 
Enige tijd later vervoerde hij het veroverde admiraalsschip van Cartagena, dat boordevol buit zat, naar Nederland. Helaas raakte hij de buit kwijt toen hij in het Engelse Kanaal werd verrast door Duinkerker kapers, die in dienst waren van de Spanjaarden. Hij zat daarna een half jaar gevangen in Duinkerken (1635). Teruggekeerd naar de West veroverde hij zes Spaanse schepen in de zeeslag bij Cabañas in Cuba (1638). In een poging de "Zilvervloot" te bemachtigen werd hij nabij de kust van Cuba verslagen in een zeeslag door de Spaanse admiraal Don Carlos Ibarra. In Spanje werd hij na de slag abusievelijk als dood vermeld. Hij keerde weer terug naar Nederland en werd vervolgens onder luitenant-admiraal Maarten Harpertsz Tromp commandeur in 's Lands Marine en bevelhebber over een W.I.C. eskader van zeven schepen.
 
Hij voer zelf op de "Jupiter" in het noordelijk deel van de "Downs", het gebied in de Noordzee waar zich de Slag bij Duins afspeelde en waarbij de Tweede Spaanse Armada grotendeels werd verslagen op 31 oktober 1639. In 1640 probeerde hij opnieuw de "Zilvervloot" uit Havannah (Cuba) te bemachtigen, maar vier van zijn schepen vergingen tijdens een orkaan en sloegen te pletter op de kust.
 
Op 31 mei 1641 vertrok hij vanuit Nederlands- Brazilië (Recife) met een vloot van 21 schepen en ruim 3000 opvarenden naar Afrika om daar op 25 augustus 1641 Loando de Sao Paulo aan de West-Afrikaanse kust te veroveren. De stad Sao Paulo was voor de West-Indische Compagnie een winstgevende handelspost op de West-Afrikaanse kust en kon door Jol zonder slag of stoot veroverd worden. Direct na de landing moest Jol tot zijn verbazing constateren dat de stad geheel verlaten was. Naderhand bleek dat de gouverneur en de inwoners van Loanda reeds voor de grote vijandelijke macht landinwaarts waren gevlucht.
 
Op 17 september 1641 vertrok Jol met 13 schepen en 1000 opvarenden naar het voor de Angolese kust gelegen Portugese eiland Sao Tomé, dat hij conform zijn reeds verkregen instructies ook op de Portugezen moest veroveren. Nadat de aanval was ingezet kon het belangrijke fort Sao Sebastiao pas na twee weken worden veroverd. Kort na de overwinning werd een aanzienlijk deel van de soldaten en matrozen door hevige koortsen getroffen met de dood als gevolg. Ook Cornelis Jol werd ziek en kwam hierbij op 31 oktober 1641 te overlijden. Het stoffelijk overschot van de admiraal werd bijgezet in de hoofdkerk van Sao Tomé.
 
Hij onderscheidde zich door weergaloze moed, zijn grote bekwaamheid als navigator en zijn menswaardige behandeling van krijgsgevangenen. Dit in tegenstelling tot veel boekaniers die bemanningen van veroverde schepen simpelweg overboord plachten te zetten. Over zijn bijnaam "Houtebeen" nog het volgende: Ook bij andere naties was hij als "Houtebeen" bekend: Pied de Pol in het Frans, Pie de Palo in het Portugees en Pata de Palo in het Spaans. De Spanjaarden noemden hem ook wel El Pirata. Een tijdgenoot van hem, Barlaeus, beschreef hem als "...van kindsbeen bij de zee en de golven opgevoed, ontembaar als de elementen waarmee hij vertrouwd was, weergaloos stoutmoedig, nooit rustend, opgaande in ondernemingen ter zee, dapper zonder woorden te gebruiken, forsch in den aanval, onuitputtelijk van werkkracht en volkomen te vertrouwen - overigens ruw”.
 
Cornelis Cornelisz Jol had twee zonen, Jan en Cornelis. Zoon Cornelis was schipper op Oost-Indië in dienst van de V.O.C. en nam als kapitein (bijgenaamd "Hola") van het schip van oorlog "Leyden" deel aan verschillende zeeslagen in de Eerste Engelse Oorlog (1652-1654). Ook zoon Jan heeft gediend bij de V.O.C. Beide broers traden dus in het voetspoor van hun vader.
 
  ♦♦♦♦
 
overgenomen uit "reizen naar de West" van J.D. van Overbeek 
Reacties

De halve familie in afwachting van de kooroptredens

René met Emile

Fiënne

 

2e foto hierboven:   Livia in de weer met harington

1e foto hierboven:   Dane met stapel viskratten

Reacties
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl